
Een kort geding is een versnelde civiele procedure voor situaties waarin een spoedige beslissing van de rechter nodig is. Bijvoorbeeld een bevel, verbod, gebod of ontruiming, zo nodig met een dwangsom. Mr. Sebastiaan Kieffer geeft een praktische uitleg over het verloop van de procedure. Meteen naar FAQ? Klik dan hier.

Net zoals in een “normale” bodemzaak wordt in een kort geding een prestatie gevorderd van een ander ten overstaan van een rechter. Zoals de nakoming van een overeenkomst of voorschrift danwel het nalaten van een schadelijke handeling. In kort geding staan spoedeisende problemen centraal die een voorlopige voorziening vereisen. Dat zijn ordemaatregelen zoals staking van onrechtmatige hinder, een tijdelijk verbod tot bouwen of het opheffen van een beslag. Het kort geding wordt geregeld in wetsartikel 254 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Essentieel is het bestaan van een spoedeisend belang van de eiser. Kan van hem redelijkerwijs worden gevergd om (maanden) te wachten op een uitspraak in een bodemprocedure? Dat zal niet het geval zijn bij (haast) onomkeerbare veranderingen, zoals bij overbouw door de buren of verlies van een woning door parate executie. Ook een financieel belang kan spoedeisend zijn, zoals een voorschot op schadevergoeding of ontruiming van een huurwoning om deze aan een betalende huurder te geven.
Bij de griffie van de rechtbank wordt een kort geding aangevraagd. Dat kan met een specifiek aanvraagformulier via rechtspraak.nl, een conceptdagvaarding en alle verhinderdata. Die data moeten bij de wederpartij zijn opgevraagd. In een rechterlijk verlof vervolgens staat de behandeldatum, het zaaknummer en diverse regels over de procedure. Dat verlof wordt met de wederpartij gedeeld. Vervolgens kan tot 24 uur voor de zitting nadere bewijsstukken worden ingediend en kan de gedaagde een tegenvordering indienen. In de fase tussen het verlof en de zitting kan weken (radiostilte) zitten. Ter zitting behandelt de rechter de zaak. Beide partijen krijgen de mogelijkheid hun zienswijze te geven en de rechter zal vragen stellen.
Als de wederpartij niet vrijwillig verschijnt, dan dient de deurwaarder de dagvaarding te betekenen. Let daarbij op de wettelijke termijn of de termijn die in het verlof staat. Als de eiser aan deze voorwaarden heeft voldaan, is het aan gedaagde of hij zal verschijnen. Als hij niet ter zitting verschijnt, wordt een verstekvonnis gewezen. Dat is doorgaans een toewijzend vonnis. Daartegen kan in verzet worden gegaan.
In kort geding wordt een voorlopige voorziening gevorderd. De behandelend rechter in kort geding is een voorzieningenrechter of een kantonrechter die als voorzieningenrechter recht spreekt. In artikel 93 Rv. staat wanneer de kantonrechter bevoegd is. In artikel 99 e.v. Rv staat welke rechtbank (locatie) bevoegd is.
Een kort geding is een voorlopig oordeel. In theorie wordt een kort geding gevolgd door een “normale” bodemprocedure. De voorzieningenrechter betrekt bij zijn oordeel dan ook de aannemelijkheid dat een vordering in een latere bodemzaak wordt toe- of afgewezen. De bodemrechter is aan dat voorlopig oordeel later niet gebonden (artikel 257 Rv). De voorzieningenrechter oordeelt ook over het bestaan van een wanprestatie of onrechtmatige toestand en over de spoedeisendheid van de kwestie.
De eiser start een kort geding met een advocaat. De gedaagde partij hoeft geen advocaat te stellen en kan zelf verweer voeren. Indien de gedaagde een tegenvordering wil instellen, dan is een advocaat wel verplicht. Zo’n eis in reconventie kan tot 24 uur voor de zitting worden ingediend (schriftelijk). Let op, bij de kantonrechter geldt geen verplichte advocaat voor zowel eiser als gedaagde. Zelf procederen? Neem dan goed kennis van het procesreglement. Juridische advisering op afstand is daarbij mogelijk.
Het is mogelijk om getuigen mee naar de zitting te nemen. Deze zgn. “informanten” kunnen door de voorzieningenrechter worden bevraagd, maar dat is niet verplicht. Informanten kunnen inlichtingen verschaffen, maar zij verklaren niet onder ede. Indien deze getuigen naderhand verklaringen afleggen, dan kan de betrouwbaarheid ervan ter discussie komen te staan vanwege hun aanwezigheid ter zitting.
Tussen de aanvraag en de behandeling zit een termijn 2-6 weken. Daarna wordt doorgaans binnen twee (2) weken vonnis gewezen. Een termijn van 8 weken is gemiddeld. De concrete termijnen hangen namelijk af van de concrete spoedeisendheid. Soms is een spoed kort geding mogelijk. Daarin wordt de zaak in enkele dagen gevoerd. Dat vereist voorafgaand overleg met de griffier van de betreffende rechtbank.
Een voorzieningenrechter stelt zichzelf de vraag of het aannemelijk is dat in een latere bodemprocedure de onderliggende vordering zou worden toegewezen. Zo ja, dan zal hij beslissen of een zgn. voorlopige voorziening rechtmatig is, al dan niet met een dwangsom. Dat kunnen maatregelen van orde en van tijdelijke aard zijn. Voor bijzondere spoedeisende gevallen kan een “kop-staartvonnis” worden gewezen. Daarmee wordt een concrete veroordeling gegeven met later de inhoudelijk motivering.
Hoger beroep kan binnen vier (4) weken na vonnis worden ingesteld (artikel 339 lid 2 Rv.). Dit gebeurt met een inhoudelijk beroepschrift (geen pro forma dagvaarding). Bij aanvang van een spoedappel kan om een spoedeisende behandeling worden gevraagd. Zo’n versnelde behandeling wordt vaak afgewezen, zodat een regulier appel resteert (hetgeen maanden duurt). Een advocaat moet een hoger beroep instellen.
Diverse rechtbanken maken het mogelijk om geldvorderingen in een incasso kort geding te vorderen. Hiervoor geldt dat de onderlinge vordering niet is betwist of in redelijkheid niet valt te betwisten. De zaak mag niet complex zijn of aan de zijde van de eiser een groot restitutierisico bestaan. Het voordeel is dat binnen enkele weken een vonnis wordt gewezen, waarmee direct executoriaal beslag op het vermogen van de schuldenaar kan worden gelegd. Lees over vorderingen incasseren hier meer.
Een kort geding kost geld en vaak worden niet alle kosten vergoed als de eiser de zaak wint. Een proceskostenveroordeling bestaat namelijk uit een compensatie van de vaste kosten en voor een gedeelte van de advocaatkosten. Dit zijn de vaste kosten:
De eiser is bij de eerste uitroeping van de zaak door de bode op de rechtbank griffierecht verschuldigd. Tot aan de zitting kan het kort geding worden ingetrokken zonder dat griffierecht is verschuldigd. Althans, de gedaagde kan wel binnen 14 dagen na intrekking de rechter vragen om een beslissing over de proceskosten. In advocaatzaken zijn dan beide procespartijen alsnog griffierecht verschuldigd (zoals de Hoge Raad bepaalde in zijn arrest ECLI:NL:HR:2016:1087 oordeelde).