
Erfdienstbaarheden zijn typisch burenrecht. Een erfdienstbaarheid is een last voor een eigenaar van een perceel. Het is een last om iets te dulden ten behoeve van een naburig erf. Erfdienstbaarheden kunnen op twee manieren ontstaan: 1. Na een afspraak tussen buren gevolgd door notariële vestiging. 2. Door verjaring. Mr. Sebastiaan Kieffer geeft uitleg over verjaring. Meteen naar FAQ? Klik dan hier.

In artikel 5:72 BW staat: “Erfdienstbaarhedenkunnen ontstaan door vestiging en door verjaring.” Daarop aansluitend volgtuit de standaard verjaringsbepalingen dat de verjaringstermijn aanvangt zodra een ander dan de rechthebbende een onroerende zaak in bezit neemt (artikel 3:314 BW). Dat ‘bezit’ dient vervolgens meerdere jaren (onafgebroken) te duren: Een termijn van 10 jaar bij bezit te goede trouw (artikel 3:99 BW) en 20 jaar bij bezit niet te goede trouw (artikel 3:306 BW). Lees hier meer over het ‘bezitsvereiste’ en over ‘verjaring in 10 of 20 jaar’.
Bezit is een vereiste voor verjaring. Bezit is ‘houden voor zichzelf’. Het tegenovergestelde daarvan is ‘houden voor een ander’. Dat laatste is het geval bij huur of gebruik. Of bezit is aangevangen wordt beoordeeld aan de hand van feitelijke omstandigheden. Zoals het bestaan van een toegangsweg resp. het consequent op- en afrijden van die weg.
‘Bezit’ veronderstelt een exclusief gebruik. Enkel het gebruik van een pad is niet genoeg voor een recht van overpad. Bijvoorbeeld als de gebruiker het pad bewandelt net zoals andere buren dat pad bewandelen. Dat gezamenlijke gebruik maakt dat de eiser van een verjaarde erfdienstbaarheid niet de exclusieve gebruiker (en rechthebbende) van dat recht van overpad is (Rechtbank Zeeland West-Brabant).
Voor ‘bezit’ dient een bestendige toestand en gebruik te bestaan. Van een bestendige toestand zal eerder sprake zijn bij een betegeld pad dan een vaag bospaadje. Een bestendig gebruik veronderstelt een structureel gebruik, en geen enkele op zichzelf staande inbreuken van andermans eigendom. Het is overigens niet vereist dat het gebruik voortdurend en continu actief plaatsvindt.
Het gebruiken en claimen van andermans grond moet naar buiten toe kenbaar zijn. De louter interne wil van de gebruiker om als rechthebbende op te treden is voor het zijn van ‘bezitter’ onvoldoende. De grondeigenaar dient te beseffen dat inbreuk op zijn eigendom wordt gemaakt, en dat hij moet optreden om zijn grond terug te krijgen. Door dan te lang stil te zitten, kan verjaring leiden tot het bestaan van erfdienstbaarheid. Zie nogmaals de uitspraak van de Rechtbank Zeeland West-Brabant. In deze zaak werd grond gebruikt naast een woning die door de grondeigenaar werd verhuurd. Die woning stond voor 10 tot 12 jaar leeg. In die periode was het gebruik van het pad grotendeels aan het zicht van de eigenaar onttrokken. Daardoor ontbrak kenbaarheid. De rechter stelde daardoor geen bezit vast. Geen verjaring dus.
Een aanwijzing voor een bestendige toestand kan de inrichting van de grond zijn. Als de inrichting alleen ten dienste staat van de bezitter, is van een bestendige toestand sprake. Zoals een brandgang die meer dan 20 jaar door de nabuur wordt gebruikt. Als aan die brandgang direct de toegangspoort van de gebruiker grenst en die nabuur daardoor de brandgang als in- en uitgang gebruikt, dan geldt dat als een bestendige toestand en gebruik (en dus als ‘bezit’), aldus het Gerechtshof Den Bosch. De Rechtbank Rotterdam oordeelde dat het aanbrengen van een achterdeur voor een overpad, en het betegelen van dat pad richting de openbare weg, naar verkeersopvattingen geldt als een wilsuiting om als gerechtigde een recht van overpad uit te oefenen (bezit dus).
Er zijn ook voorbeeld omstandigheden uit de rechtspraak die niet leidden tot verjaring van erfdienstbaarheid. In de bovenstaande uitspraak stelde de Rechtbank Rotterdam wel een overpad vast, maar het stelselmatig opslaan van zaken leidde niet tot een erfdienstbaarheid (een recht van opslaan van zaken). De Rechtbank Overijssel oordeelde dat het 40 jaar langstelselmatig lopen over de oprit van de buurman in die casus geen ‘bezit’ is. Immers, de grondeigenaar gebruikte de oprit zelf ook en hij stemde met het lopen erover (stilzwijgend) in.
Bezit is ‘houden voor jezelf’ en dat is anders dan ‘houden voor een ander’. Als daarvan sprake, ofwel het gebruik van een overpad wordt door de grondeigenaar gedoogd, is geen verjaringstermijn gaan lopen (want geen bezit). Toestemming voor het gebruik, zelfs een toezegging gedaan na inbezitneming tijdens de verjaringstermijn, verhindert dus het ontstaan van een erfdienstbaarheid (artikel 3:111 BW). Als die situatie speelt, dan is het aan te bevelen om een bruikleenovereenkomst te sluiten.
Verjaring betekent dat de rechthebbende het opheffen van bezit niet meer kan vorderen. Dat vorderingsrecht is verjaard. Verder bepaalt artikel 3:105 BW: “Hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, verkrijgt dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw.” In dit geval ziet dit artikel op het “verkrijgen” van een recht van erfdienstbaarheid. Maar let op, die erfdienstbaarheid is dan nog niet openbaar geregistreerd. Dat kan complicaties geven bij een verkoop, en een verborgen gebrek voor de koper opleveren. Partijen kunnen ervoor kiezen gezamenlijk een notaris te vragen een akte van vestiging of van verjaring te verleiden.
Als partijen niet tot overeenstemming komen, dan kan een rechteroplossing bieden. Dat kan zijn een Voorzieningenrechter wie in een kort geding een voorlopig oordeel heeft. Of een Civiele rechter in een bodemzaak wie voorrecht verklaart dat een erfdienstbaarheid van kracht is (of niet). Zo’n vonnis kan in de openbare registers worden ingeschreven (artikel 3:17 BW). Let op, in een rechtszaak rust de bewijslast voor het bestaan van een erfdienstbaarheid op de gebruiker (en eigenaar van het heersende erf).
Als een eigenaar van een (bijna) dienend erf verjaring vreest, dan kan hij de verjaringstermijn stuiten. Stuiting kan plaatsvinden door een schriftelijke verklaring en/of door het instellen van een gerechtelijke procedure tot staking van het bezit. Indien de verjaringstermijn is gestuit, dan vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Let op, bij de stuiting tot staking van bezit, anders dan bij de stuiting inzake de voldoening van een schuld, geldt volgens artikel 3:317 BW dat binnen 6 maanden na de stuitingsbrief een procedure moet zijn aangevangen (anders is de termijn niet onderbroken en de stuiting nutteloos).